Beginfragment van de roman ‘In dit land wil niemand wonen’

          Ze ligt op de grond.

           Dat zegt ze.

           Het is niet koud.

           Het is niet warm.

           Het is niet…

 

           Zwart.

           Leeg.

 

‘Raak me niet aan. Dat kan ik niet verdragen. Niemand mag  me kwetsen. Niemand.’

 

Ze draagt geen schoenen, geen sokken, alleen haar vieze, gescheurde jurk. Vuile korst op haar huid. Ze merkt het niet. Haar zintuigen. Stomp. Niets. Geen raam. Geen oog. Afgeplakt. Weet je wat dat betekent? Als een
blinde langs de afgrond. Geen hand die redt. De enige vluchtweg: doodlopend. Dood.

Ze ziet de lijken op de binnenplaats. Opgetast. Misschien ligt Asha er wel tussen. Waarschijnlijk ligt Asha ertussen. Het verkreupelde lichaam tot bloed en modder geslagen. Niemand zal wenen en de dagen rouw in
acht nemen. Voor de buitenwereld is zij al tijden dood. Fadumo wendt haar hoofd af. De stank. Krioelende maden op verminkte ledematen. Sla je handen voor je ogen. Dit wil je niet zien. Al is het lang geleden, misschien wel tien jaar,
misschien wel honderd jaar voor wie vergeten kan. Maar dat kan je niet. Dat lieg je.

 

Het riool is verdroogd. Een afgestroopte, uitgeharde slangenhuid. Daar doe je je behoefte. Eerst diarree, dagenlang. Pijn. Ontluistering. Het leven van buiten wordt bruut weggesneden. Niets blijft over.
En de verhoren moeten nog beginnen. Een stenen hart. Muren die niet wijken. Vertwijfeling. Slapen op de stenen grond. Terwijl de cel steeds voller wordt. Een fles die je met water vult. Vrouwen als vormloze balen stro. En toch. Die
ruimte, dat kille gat is een plek waar je schuilen kan. Even rust in de chaos. Het graf; de intiemste ruimte. Niemand die je nog stoort om dingen die je toch niet weet. Pijn is alleen maar vernedering.

 

           Teruggeworpen.

           Stilte.

           Deksteen.

 

Hier ligt Fadumo, de laatste vrouw. Zoveel andere vrouwen, en toch: de laatste vrouw. Gestorven in het Gat. Gevangenis. Martelcentrum. In de stad met de mooiste naam: Mogadishu. Luister naar de naam,
spreek de letters één voor één uit, voor op de tong, weeg, proef, MOGADISHU. Daar is ze vermoord. In het Gat in Mogadishu. Hoewel ze in mijn armen ligt.

 

Ik ken die plek. Ik ben er één keer met haar geweest. Ze heeft me aan een rafelig touw naar beneden laten zakken. Omdat ze het niet aankon om die keer alleen te gaan. Omdat ze me één keer de muur aan het eind
van de dodenweg wou laten zien.

 

‘Alleen aan jou. Jij bent de enige. Niemand komt zo dicht bij mij.’