Beginfragment van de roman ‘Toplöss’ die in herziene versie (e-book) in november verschijnt

 

Ze werd geboren in een gevangenis. De kleine ramen, ver boven haar, getralied, de deur naar buiten altijd dicht. Wanneer ze gelucht werd zag ze de kale, lange gangen, identieke, verveloze deuren, identieke, verveloze gezichten. De gangen mondden in gangen, die uitgang waren van andere gangen en wanneer ze uiteindelijk de blauwe lucht zag op de binnenplaats, waar de muren net niet raakten aan elkaar, was het of ze er een verlengstuk zag van zichzelf, in die koker naar het vrije.

Moeder zei nooit iets, wanneer ze haar begeleidde door het web. Deze wereld was haar vertrouwd, ze was erin geworteld, ze hield er zelfs van, zoals haar moeder ervan hield. Nooit in al die lange, verloren jaren kon het licht van buiten haar een uitroep van verbazing ontlokken. Ze had haar plichten en vooral haar kindeke, naast al die andere kinderen, het kindeke Jezus, dat als een vleesgeworden ketting tussen haar handen hing en dat haar sussend voorging in haar dienstbaar leven. Jaren later, in de kolonie, tussen de gordijnen van witte was, die omhoogvielen van de metalen lijnen, dacht ze terug aan haar moeder, toen al een kreupel, schuifelend vrouwtje.

Vader had dat kleine gat naar buiten. Op werkdagen pakte hij zijn pungel en ging de nauwe gang over binnenstraten naar zijn andere leven. Hij vertelde er wel eens over wanneer hij goede zin had en dan zag ze het wilde water, dat kolkend wegliep in de steengang en haar vader doornat, de glanzende helm op het hoofd, wijdbeens, als een stier, die steunend op een koe kruipt. Ze zag de reusachtige balken haaks op elkaar en het duister, dat loodzwaar krakend in de schragen hing. Maar daar hield haar verbeelding op. Het leven was toen nog een kamer, gevuld met veel te veel mensen, armoe, het soppend lekken van het dak en vooral slaafse gehoorzaamheid aan vader.

Als klein meisje droeg ze papillotjes in het haar, gekleurde papiertjes, die ze knipte uit oude tijdschriften, maar ze mocht ze alleen op feestdagen in, wanneer een heilige jarig was of boze mensen Jezus aan het kruis hingen. Dat laatste gebeurde zowat eens per jaar.

Moeder had slechts één devies, een alomvattende levenswijsheid, waar haar gehele moraal op draaide: Wat moeten de buren er niet van denken! Het was geen vraag meer, maar een weet. Uit angst voor achterklap lag het ‘goed’ fatsoen tegen de drempel. Bij elke stap buitenshuis werd op de trom geslagen. Moeder werd bijkans hysterisch wanneer haar oudste zoon op zondag besmeurd en beslijkt thuiskwam en vader deed niet voor haar onder in de bizarre pogingen het gezin wat stand te geven. En dat terwijl ze zo arm waren als kerkratten.

Met anderhalf liep ze aan de hand van vader.

‘Kom jij maar mee’, zei hij en hij oefende met haar achter de rozenstruiken, voordat ze mee mocht naar het zandpad. Pas toen ze kon lopen, koos hij de weg, die het meest in het oog lag, waar niemand hen kon missen. Met zijn knie beschermend naast haar speelde hij de ideale vader.

 

Jaren na haar geboorte en het brandmerk dat ze kreeg, in een armoedige kamer, in een verstikkend, achterlijk milieu, keerde ze in gedachten steeds weer terug naar het dorp, waar de gangen nooit veranderden. Het was een onontkoombaar beeld; de grauwe heuvels vrijend, bijna in overspel tegen elkaar, de wolken zwaar drukkend op de toppen. Soms koesterde ze de stille hoop, dat het dorp stierf, langzaam en pijnlijk, zoals een dier, dat eerst door de voorpoten daarna door de achterpoten gaat; dat de tufsteenmuren in elkaar zakten na het verstommen van de roddel en de schijnheiligheid. Wat zou dat een opluchting zijn. Haar vleugels eindelijk wijd en prachtvol. Maar het verstikkende beeld bleef hangen en nog steeds schrok ze er soms wakker van.